DIAMANTEN, Muziekgebouw aan 't IJ


In Diamanten staan de levens centraal van een aantal vrouwen met krachtige, schitterende zielen, die ze als een sieraad met zich meedragen. Als diamanten – van buiten koud en ongenaakbaar, maar tegelijkertijd wonderschoon en waardevol – glanzen en stralen de vrouwen, ongeacht hun kwetsbaarheid en eenzaamheid. Composities van Pascal Dusapin, Georges Aperghis, György Kurtág, Giacinto Scelsi, Samir Odeh-Tamimi, Henri Pousseur en Rob Zuidam vormen de vocale bijoux, die in Diamanten tot stralende sieraden worden fijngeslepen.

VocaalLAB solisten:
Jennifer van der Hart, Camille Hesketh, Esther Kuiper, Francine Vis
Regie: Miguel Angel Gaspar, Bärbel Kühn (concept)
Licht: Jeroen Smith

SOUND SAMPLES

SCENE BEELDEN / VOORSTELLINGEN

TOURDATA

31 januari 2010

13 maart 2010

Programmatoelichting

Bärbel Kühn

Diamanten is een fonkelend mozaïek van momenten uit het leven van vier bijzondere vrouwen. Hun wezen weerspiegelt zowel helderheid alsook de gelaagdheid en het brede kleurenspectrum van een diamant. Als diamanten – van buiten vaak koud en ongenaakbaar, maar tegelijkertijd wonderschoon en waardevol – glanzen en stralen de vrouwen, ongeacht hun kwetsbaarheid en hun eenzaamheid.
In Diamanten spiegelen zich vrouwbeelden en rollenpatronen uit het verleden en uit het heden: godinnen, moeders, strijdsters, geliefden, hoeren, heksen en heiligen. Ze spreken en zingen tot ons, zonder dat wij hun taal helemaal kunnen verstaan. Tekstflarden en klanken bereiken onze oren, zonder dat we de betekenis ervan begrijpen. Puur, met de kracht van hun stemmen, verhalen ze van de schoonheid, de kwetsbaarheid, de mythe en de kracht van de vrouw. In tableaus van een eenvoudige schoonheid en tijdloosheid verbannen de vrouwen de banaliteit van alledag en scheppen een eigen, nieuwe, mystieke wereld, waarin hartstocht en intimiteit de richting aangeven. Magie, verwondering, vervoering: de vrouwen dwingen ons, als sirenen, te luisteren en ons aan de stralend schone melodieën over te geven.

De Diamant (Grieks = de onbedwingbare)
De diamant wekt naast positieve gevoelens als schoonheid, wijsheid en reinheid ook negatieve gevoelens op. Diamanten als teken van rijkdom en uiterlijk vertoon – Diamonds are a girl’s best friend – staan ook voor uitbuiting en vasthouden aan oppervlakkigheden.
In Diamanten worden deze tegenstellingen uitgelicht. Diamanten wijdt zich aan de oerkracht van deze steen: het is een hoge kunst de diamant te “temmen”, te slijpen, maar het is haast onmogelijk hem te vernietigen. Hij is tijdloos, mooi en sterk.

Deze gedachte is het uitgangspunt van het concept van deze productie en was leidraad bij de keuze van de composities. In Diamanten klinkt een veelvoud aan tijdloze en “sterke” composities, van solowerken tot vierstemmige ensemblestukken, die gekenmerkt worden door hun compositorische concentratie en intensiteit.

De uit twintig miniscènes bestaande cyclus Attila József – Töredédek (vertaald: Attila Jószef - Fragmenten) van György Kurtág – eigenlijk gecomprimeerde opera-eenakters – loopt als een rode draad door de voorstelling. De enorme vocale concentratie en bijzondere eenzaamheid van deze cyclus staat in sterk contrast tot het stralende, verblindende Calligramme (Il Pleut) van Rob Zuidam, een compositie die een “geaard”, bijna dansend gevoel in zich heeft. En toch zijn beide tot één grondprincipe terug te voeren: innerlijke kracht en schoonheid.
Na de extase in Calligramme brengt Kurtág ons weer terug naar de wereld van het oorspronkelijke; hier draagt iedere noot en iedere syllabe betekenis.
Opgedeeld in drie blokken markeren Kurtágs miniatuursolostukken momenten van rust en innerlijkheid. We worden als toehoorders en toeschouwers teruggeworpen tot het begin van de schepping. Uit het grote witte licht, uit het niets, is alle leven ontstaan.
De zangeres van Attila Jószef - Töredédek maakt ons deelgenoot van haar kwetsbaarheid. Ze slaagt er niet in zich te bevrijden. De andere vrouwen moeten haar alsmaar meer helpen zich uit haar verstarring te verlossen. Door de kracht van een troostende melodie vindt ze haar weg weer terug.

Net zo gecomprimeerd als Kurtágs werk zijn de Tourbillons van Georges Aperghis. De interpretatieve eisen die zijn composities aan de menselijke stem en de menselijke geest stellen zijn zo groot, dat zijn stukken slechts met uiterste fysieke inspanning kunnen worden gezongen.
‘Tourbillons’ betekent: wervelwinden. Viermaal duiken gedurende het concert deze wervelwinden op, telkens in de gedaante van een andere zangeres, en stuwen de handeling voort. De zangeressen verschijnen in foetushouding, als dansende moeder en als de wijze moeder aarde. Deze stukken duren slechts één tot twee minuten, maar zijn zo intens dat ze de vrouwen volledig uitgeput achterlaten. Aperghis schrijft geen ademtekens voor, maar verwacht van de uitvoerenden dat ze inademend zingen of zingend inademen. Ook hier bevinden wij ons aan de oorsprong van al het zingen: zingen is ademen, en de kleinste adembeweging kan het grootste effect sorteren.

Van een enorme kracht en oorspronkelijkheid zijn ook de beide vierstemmige werken in Diamanten: het haast hemels klinkende Sauh III van Scelsi en het zeer aardse Rojagdad van Odeh-Tamimi. Zij vormen de pijlers van het programma, het begin en het einde. Beide werken vormen ook in overdrachtelijke zin het alfa en omega van de uitvoering: de vertelling begint met heldere, onaards klinkende engelenzang en eindigt met het strijdlustige en wereldse Rojagdad (een samenvoeging van de woorden Bagdad en Troje), een tijdloze aanklacht tegen de onmenselijkheid. Hiermee is de cirkel, die hemel en aarde verbindt, rond.

Tussen deze herkenbare hoekpunten wisselen de scènes elkaar af; rennen, kruipen of sluipen de vrouwen heen en weer op zoek naar verlossing; klinken uiteenlopende talen en verschijnen wereldlijke en mythische vrouwfiguren voor onze ogen: al deze momentopnamen worden met elkaar verweven en tot een geheel gemodelleerd, gestuurd door dat ene gebaar, dat van de schoonheid van het bestaan.

De toren van Babel
In een tijd waarin we overal op de wereld met elkaar kunnen communiceren, valt het op hoeveel componisten van hedendaagse vocale muziek zich niet meer op conventionele wijze van tekst bedienen. Ze experimenteren met lettergrepen en klanken van de meest uiteenlopende talen, met klinkers of medeklinkers, met fonetische tegenstellingen: de tekst wordt versplinterd en verscheurd; een zinnebeeld, als het ware, van onze moderne samenleving. Gelijktijdig ontstaat uit deze versplintering de mogelijkheid om een nieuwe taal te ontwikkelen die zo nauw met de muziek verweven is, dat tekst en muziek één worden.

Componisten als Scelsi, Aperghis, Zuidam en Odeh-Tamimi hebben in hun werken een eigen taal ontwikkeld die wij kunnen begrijpen, zonder dat we de woorden echt verstaan. De relatie met bepaalde emoties is zo duidelijk voelbaar, dat we geen echte woorden meer nodig hebben.
De composities in Diamanten wisselen permanent tussen tekstgeoriënteerde, “traditionele” composities zoals Zuidams Calligramme, Pousseurs Pour Baudelaire, Kurtágs Attila József- Töredédek en Dusapins Two walking, die gebaseerd zijn op gedichten van Guillaume Apollinaire, Charles Baudelaire, Attila József en Gertrude Stein, en deze als tekstgeraamte gebruiken – en  composities zonder tekst. Hierdoor ontstaat een Babel-achtig spraaklabyrint waarin we kunnen verdwalen, maar waarin ook vrijheid voor eigen interpretatie blijft.

De composities weerspiegelen, naast een veelvoud aan muzikaal en tekstueel idioom, ook het multiculturele aspect van de componistenfamilie: Hongaarse, Nederlandse, Belgische, Franse, Griekse, Italiaanse en Duits-Israëlisch-Palestijnse componisten worden een eenheid in een uniek programma.

Diamanten toont een dwarsdoorsnede van hedendaagse vocale muziek, vol extremen. Maar anders dan in het Bijbelse Babel worden in Diamanten de verschillende talen met elkaar geconfronteerd en verbonden. Niet de spraakverwarring, maar de eenheid van de muzikale kracht vormt het fundament van een krachtige en stralende toren.

Bärbel Kühn

Recensie: De Volkskrant, 2 februari 2010

Met zijn unieke focus op de zang levert het zeven jaar oude VocaalLAB een bijzondere bijdrage aan het panopticum van de nieuwe muziek.

Iriserende klankwaaiers
Drie Jonge Ensembles, 31 januari 2010, Muziekgebouw aan 't IJ

[...] Het sluitstuk, Diamanten van VocaalLAB, heeft ook zijn hermetische kanten, maar is toch absorberend muziektheater. Vier zingende vrouwen dolen als heldinnen uit een Griekse tragedie over het podium in een muzikale ritus die bestaat uit een mozaïek van solo’s, duetten en kwartetten van zeven componisten. Het is een babylonische en onbegrijpelijke voorstelling met een onverwacht einde. En met zijn unieke focus op de zang levert het zeven jaar oude VocaalLAB een bijzondere bijdrage aan het panopticum van de nieuwe muziek.

Frits van der Waa