RECENSIES
De Volkskrant 17-10-2011 ( OVER MONTEVERDISH )
MonteverdISH is een zinderende ontdekkingstocht naar een kruisbestuiving tussen de verfijnde zeventiende-eeuwse barok van Monteverdi en een gescratchte remake ervan met dubstep en hiphop.
MonteverdISH door ISH en VocaalLAB
De Meervaart, Amsterdam. Tournee t/m 9/12. balls.nl
Je voelt je in het hol van de leeuw. In de zaal zitten oudere operaliefhebbers naast opgeschoten jongeren. Afwachtend en enigszins argwanend. De eerste smeken om stilte, de tweede reageren luidruchtig. Op het podium gonst het van spanning van eenzelfde onverwachte ontmoeting tussen twee diametraal verschillende werelden: breakdansers, drummers en samplers staan in MonteverdISH naast operazangers en bespelers van oude muziekinstrumenten.
Het zou een clash kunnen worden of een opgelegd rendezvous. Maar het wordt een zinderende ontdekkingstocht naar een kruisbestuiving tussen de verfijnde zeventiende-eeuwse barok van Monteverdi en een gescratchte remake ervan met dubstep en hiphop. MonteverdISH zwenkt van duetten tussen dansende sopranen en breakdansende rappers naar rockende muzikanten op cello, viool en theorbe en verstilde echo’s van stevige baritonzang. Af en toe vliegt de voorstelling hartstochtelijk uit de bocht. Maar overal is de bite van de leeuw voelbaar: beide kampen willen kempen. Ze doen niet voor elkaar onder,hebben respect voor elkaar maar – gelukkig – geen ontzag. En ze vreten elkaar op, in de goede zin van het woord.
Na Shakespeare (in StormISH) en de Griekse mythologie (in HerculISH) onderzoekt de breakdance- en hiphopformatie ISH van Marco Gerris nu een samenwerking met opera. In het avontuurlijk ingestelde VocaalLAB van Romain Bischoff en Arnout Lems vindt hij een ideale sparringpartner. Componist Perquisite (Pieter Perquin van Pete Philly & Perquisite) schreef een fascinerende bewerking van delen van Monteverdi’s opera l’Incoronazione di Poppea voor barokbezetting, aangevuld met drum en scratch. Hij durft met broos getokkel op de theorbe te beginnen om door te schieten naar ruige slagakkoorden op cello en viool. Voor een goed begrip van het verhaal is het handig wetenschap te hebben van de vier centrale karakters uit de voorstelling: de machtsmisbruikende keizer Nero (vol machismo en opvallend genoeg gezongen door een vrouw), zijn machtswellustige maîtresse Poppea (type geraffineerd blondje), de wijsgerige senator Seneca (die zijn advies met de dood moet bekopen) en de vernederde soldaat Otto (Poppea’s verloofde). Alle vier krijgen ze een alterego in de vorm van een breakdanser. Zij geven met headspins, windmills en handstanden energiek vorm aan innerlijke angsten, hartstochten en zorgen.
Er wordt zonder boventiteling gezongen in Italiaans, Engels en Nederlands (met Osdorpse rap). Details uit het verhaal – over machtige mannen die sexappeal verkiezen boven wijsheid (denk aan Berlusconi) – raken weliswaar volledig verloren maar krijgen een alternatief in de opwekkende, bruisende energie waarmee deze grimmige boodschap over machtsmisbruik de zaal in wordt gegromd.
Annette Embrechts
NRC Handelsblad 21-02-2011 ( OVER EEN ORESTEIA )
Door: Jochem Valkenburg
Vrouw krijgt stem in Oresteia
Een Oresteia door Muziektheater Transparant en o.a. Asko|Schönberg o.l.v. Alejo Pérez. Gehoord 18 februari 2011 in Concertgebouw Brugge.
Door: Jochem Valkenburg
“Alles wat Xenakis niet wilde in zijn Oresteia.” In het programmaboek wordt ondubbelzinnig gezegd wat Muziektheater Transparant doet met Iannis Xenakis’ muziektheaterwerk uit 1966, naar de beroemde tragedie van Aischylos.
Xenakis staat sterk in de belangstelling omdat hij tien jaar geleden overleed. In Oresteia gebruikte hij mathematisch modernisme, de expressief snikkende zang van het Japanse noh-theater en opzwepende percussie. De rituele en tegelijk constant hysterische atmosfeer sluit perfect aan bij de bovenmenselijke tragedie vol bloedwraak.
Regisseuse Caroline Petrick vond het echter te macho. Ze gaf meer ruimte aan de belangrijkste vrouwenrol, Klytaimnestra. In enkele toegevoegde scenes krijgt zij van componiste Annelies Van Parys een veel lyrischere muzikale invulling, in gevoelig Frans in plaats van plechtig Oud-Grieks.
Het feministische waagstuk pakt goed uit als Klytaimnestra zich rechtvaardigt nadat ze haar man heeft vermoord, die immers hun dochtertje had geofferd. Alsof zich even een levend mens losmaakt uit een marmeren beeld. Op andere momenten lijken de toevoegingen overbodig. Dan valt juist op hoezeer Xenakis’ wonderlijke objectiviteit óók al wist te emotioneren, op een unieke, ondoorgrondelijkere manier.
Daarbij helpt de voortreffelijke uitvoering, met onder meer de hoog falsetterende baritons Tiemo Wang en Romain Bischoff, het prima Asko Kamerkoor en slagwerker Joey Marijs, die zorgt voor opzwepende precisie.
De Standaard 22-02-2011 ( OVER EEN ORESTEIA )
Met Asko|Schönberg als ensemble en de uitmuntende zangers van VocaalLAB was de uitvoering van Een Oresteia overweldigend.
Een Oresteia
Muziektheater Transparant. Gezien in Brugge, Concertgebouw, op 18/2. Nog in De Singel, Antwerpen op 23/2.
Een duister verhaal van bloedwraak, van ouders die hun kinderen offeren, een echtgenote die haar man in zijn bad met een bijl te lijf gaat en kinderen die hun ouders vermoorden: dat is het uitgangspunt van de Oresteia van Aeschylos. Het drieluik van Griekse tragedies leest als een heftige neerslag van extreme passies en is nog even actueel als 2.500 jaar geleden.
Allicht was dat een motivatie voor de Griek Iannis Xenakis om de Oresteia in 1966 tot een compositie om te werken. Xenakis maakte een beknopte doorsnede van de drie tragedies, voor groot koor, percussie en een door blazers gedomineerd ensemble. Een statisch werk dat meer naar een oratorium neigt dan naar de dynamiek van opera, maar dat in de rauwe, intense zetting van de Griekse verzen aansluiting zocht bij een primitief soort van expressie, die perfect past bij de vaak plastische taal van Aeschylos.
Voor Een Oresteia voegde Muziektheater Transparant aan het werk van Xenakis nog een tweede laag toe. Annelies Van Parys componeerde een korte proloog en epiloog en schoof twee uitgebreide monologen tussen de delen van Xenakis. Regisseur Caroline Petrick liet de personages (een drievoudige Klytaemnestra) met rituele handelingen meer beweging en theatrale toetsen aanbrengen: eenvoudige ingrepen die de eenheid van de voorstelling goed doen.
Voor een jonge componiste moet het beangstigend zijn om je eigen muziek naast een werk van Iannis Xenakis te plaatsen. Annelies Van Parys schrijft muziek die doorgaans ver verwijderd blijft van de rauwe theatraliteit van Xenakis. Toch sloot haar partituur er treffend bij aan: de proloog en epiloog houden de spanning aan zonder de verschroeiende adem van Xenakis te doen vergeten. Haar eerste monoloog greep wel te veel naar een brave afwisseling tussen de drie zangeressen om de dramatische lijn over te brengen. Al is het geen sinecure om na Xenakis' spectaculaire monoloog van Kassandra iets anders te doen. Van Parys' tweede interventie was veel coherenter en daardoor ook raker.
Met Asko|Scho¨nberg als ensemble en de uitmuntende zangers van VocaalLAB was de uitvoering overweldigend. Toch maakte het nochtans talrijk bezette Asko Kamerkoor onvoldoende volume om de zinderende uithalen van Xenakis impact te geven. Maar zelfs dan bleef het een bijzonder pakkende voorstelling.
Maarten Beirens
DNN 02-10-2008 ( OVER COLOURFUL PENIS - Maria de Alvear )
Dazu huschen die Sänger (phänomenal singend, tanzend, springend: VocaalLAB Nederland) als Minichor oder als Individuen durch die Stuhlreihen, verfangen sich im Gelände.
Dazu huschen die Sänger (phänomenal singend, tanzend, springend: VocaalLAB Nederland) als Minichor oder als Individuen durch die Stuhlreihen, verfangen sich im Gelände.
NRC Handelsblad 20-04-2010 ( OVER LEGE WIEG / BOS BESIK - Seung-Ah Oh )
Door JOCHEM VALKENBURG
Opera een speeltje van de blanke elite? Niet in Dordrecht, waar een koor van Turkse en Nederlandse amateurzangeressen meedoet in de opera Lege Wieg van de van oorsprong Koreaanse componiste Seung-Ah Oh (1969).
De opera is gebaseerd op een oud Turks volksverhaal over twee geliefden die tegen de wil van hun families trouwen, maar geen kind kunnen krijgen. Uiteindelijk schenkt een geest hun een kind, dat hij zeven jaar later weer opeist.
Niet alleen het verhaal en een deel van de uitvoerenden is Turks, ook de muziek streeft naar een versmelting van twee werelden: Oh’s hechte muziek in modernistisch idioom wordt op gezette tijden onderbroken door Turkse volksliedjes en de traditionele klaagzang van “klaagvrouw” Nurhan Uyar.
Die benadering bevestigt wel vooroordelen: de Turkse cultuur wordt gepresenteerd als traditioneel en onveranderlijk, terwijl het meer “westerse” deel van de voorstelling zich daar veel gedifferentieerder omheen plooit om het échte verhaal te vertellen.
Toch wil ook die vertelling niet echt van de grond komen, deels wegens de brave, wat vrijblijvende regie, maar vooral ook te wijten aan het stroeve libretto van Anne Vegter. Wat op papier snel lijkt te gaan, kan in een opera tergend lang duren – zoals het opsommen van de zeven levensjaren van de dochter. Daarbij komt dan nog minder fraai Nederlands als “Ik geloof ik ben verliefd” en een seksscène met smakeloze beeldspraken als “liefste zuig op mijn fruit”. Dan wekt het weinig verbazing dat er geen kindertjes komen.
Sterkste troef is de muziek van Oh, die misschien nergens echt verrast, maar wel de juiste sfeer aanbrengt. Geregeld knoopt Oh daarvoor aan bij de modaliteit van de Ottomaanse klassieke muziek. Verder beweegt ze zich genuanceerd tussen Ligeti-achtig geladen verstilling en meer aan Xenakis herinnerend tumult. Soms uit ze zich ook ongegeneerd consonant en gloedvol, met als hoogtepunt de honingzoete geboortescène.
Romain Bischoff dirigeert het instrumentaal ensemble, dat ver achterin de zaal zit, vanaf grote afstand (zelf staat hij tussen het publiek in), maar weet desondanks veel nuance aan te brengen. De zangers van VocaalLAB doen goed werk in de hoofdrollen. Vooral Jennifer van der Hart is geloofwaardig als de eigengereide Fadime: soms snijdend, maar even makkelijk zoet weeklagend boven stemmige koorzang.
AD De Dordtenaar 19-04-2010 ( OVER LEGE WIEG / BOS BESIK - Seung-Ah Oh )
Oh's muziek komt onder Romain Bischoff fascinerend tot klinken. De zang- en acteerprestaties van Jennifer van der Hart en Caroline Cartens zijn formidabel; ook Gunnar Brandt-Sigurdsson, Arnout Lems en Ekaterina Levental maken indruk.
De strijd voor een ongewenste, onmogelijke liefde
DORDRECHT - Bos Besik (Lege Wieg), muziekdrama naar een Turks volksverhaal van de Koreaanse componiste Seung-Ah Oh en de dichteres Anne Vegter, is een verzetsopera. Fadime, een meisje uit een bergdorp, vecht voor de erkenning van haar liefde voor Nomad, telg van een aanzienlijke familie. En betaalt daarvoor een noodlottige prijs: haar kind, bekroning van die ongewenste liefde, wordt haar, wanneer zeven jaar zijn verstreken, door een macabere geestverschijning, de Derman, ontnomen.
Een verhaal dat een beklemmende, ontroerende uitwerking krijgt. Oh’s muziek komt onder Romain Bischoff, dirigerend vanuit het publiek, fascinerend tot klinken. De zangpartijen, veelal in reciteerstijl, zijn fraai ingebed in het spel, hoog in de hal, van het zeskoppige orkest. En de scenische mogelijkheden van het ketelhuis aan de Noordendijk zijn in Cilia Hogerzijls regie optimaal benut. Zoals de hallucinerende lichteffecten tegen het slot.
De zang- en acteerprestaties van Jennifer Claire van der Hart (Fadime) en Caroline Cartens, als haar alter ego, zijn formidabel. Ook Gunnar Brandt-Sigurdsson (Nomad), Arnout Lens (Derman) en Jet van Helbergen maken indruk. Al even overtuigend is het optreden van het door Turkse en Nederlandse zangeressen gevormde koor, dat de families van het liefdespaar vertegenwoordigt.
Nurhan Uyar, die ook tekende voor de keuze van de prachtige Turkse liederen die in het drama zijn ingevlochten, zingt de partij van de klaagvrouw. En Nomads hooghartige moeder, die de traditie en het vooroordeel verzinnebeeldt, is een kapitale rol van de mezzo Ekaterina Levental. Bos Besik: een nieuwe parel in de ketting van spraakmakende producties van Hollands Diep.
Ger van der Tang
De Standaard 17-03-2010 ( OVER AN INDEX OF MEMORIES - Annelies Van Parys )
De jonge stemmen van VocaalLAB Nederland maakten indruk, met een glansrol voor mezzosopraan Els Mondelaers.
Componiste Annelies Van Parys debuteert sterk in het muziektheater
De componiste Annelies Van Parys maakte een kwetsbare, intieme voorstelling die dicht op de huid zit van de toeschouwers.
De (voorlopig) enige uitvoering in België van An Index of Memories, het muziektheaterdebuut van de componiste Annelies Van Parys, was al twee weken van tevoren uitverkocht. Het geeft aan dat er met belangstelling naar dit werk werd uitgekeken. Met haar bijdrage aan de succesproductie Ruhe begon Annelies Van Parys een traject bij Transparant, waarin An Index of Memories de logische volgende stap is: een avondvullend muziektheaterwerk voor de kleinschalige bezetting van vijf zangstemmen en negen muzikanten.
In wezen is het een heel abstracte voorstelling. Van Parys vertrok van twee bestaande vocale composities op gedichten van de Oudgriekse dichteres Sappho. Ze puurde uit dat basismateriaal een groter geheel, dat de onvermijdelijke thema’s van liefde en verlangen maar ook dat van de herinneringen uitdiept.
De gedichten van Sappho zijn enkel in fragmenten overgeleverd en die fragmentarische aanpak is in de voorstelling doorgetrokken. De componiste had zelf flarden Engels tekst toegevoegd, als een hedendaagse tegenhanger voor de beeldrijke taal van Sappho.
Mezzosopraan Els Mondelaers nam de griekse teksten voor haar rekening, bariton Arnout Lems de Engelse. Ze zijn geen personages en het geheel is geen verhaal, maar meer een verinnerlijkte mijmering, met een ritueel karakter. De nadruk kwam op die manier op de muziek te liggen. Die slaagde er zeer knap in om de dramatische lijn en de gevoelsmatige inhoud dwingend te houden.
Van Parys schuwt de grote gebaren. Alles vertrekt vanuit de zang die verdubbeld, bijgekleurd en hoe langer hoe meer weerkaatst word door de instrumenten. De twee vocale werken die zij recycleerde, zijn vooral in het begin van de voorstelling zeer aanwezig. Maar gaandeweg weeft Van Parys er een totaal andere muzikaal web mee.
Het koortje van drie vrouwenstemmen mengt zich steeds opvallender tussen de solisten. De instrumentale texturen dikken langzaam aan, wat pas helemaal aan het slot uitmondt in een hevig tutti.
Kleur en timbre hebben altijd Van Parys’ muziek getypeerd. Dat gaat hier uitstekend samen met een ingehouden, maar daarom niet minder theatrale expressiviteit. Dat de uitvoering van hoog niveau was, hielp daarbij natuurlijk. Het Spectra Ensemble en de percussionisten van Triatu bleken een toonbeeld van accuraatheid en de jonge stemmen van VocaalLAB Nederland maakten indruk, met een glansrol voor mezzosopraan Els Mondelaers.
De Volkskrant 02-02-2010 ( OVER DIAMANTEN, Muziekgebouw aan 't IJ )
Met zijn unieke focus op de zang levert het zeven jaar oude VocaalLAB een bijzondere bijdrage aan het panopticum van de nieuwe muziek.
Iriserende klankwaaiers
Drie Jonge Ensembles, 31 januari 2010, Muziekgebouw aan 't IJ
[...] Het sluitstuk, Diamanten van VocaalLAB, heeft ook zijn hermetische kanten, maar is toch absorberend muziektheater. Vier zingende vrouwen dolen als heldinnen uit een Griekse tragedie over het podium in een muzikale ritus die bestaat uit een mozaïek van solo’s, duetten en kwartetten van zeven componisten. Het is een babylonische en onbegrijpelijke voorstelling met een onverwacht einde. En met zijn unieke focus op de zang levert het zeven jaar oude VocaalLAB een bijzondere bijdrage aan het panopticum van de nieuwe muziek.
Frits van der Waa
Bärbel Kühn 28-01-2010 ( OVER DIAMANTEN, Muziekgebouw aan 't IJ )
Bärbel Kühn
Diamanten is een fonkelend mozaïek van momenten uit het leven van vier bijzondere vrouwen. Hun wezen weerspiegelt zowel helderheid alsook de gelaagdheid en het brede kleurenspectrum van een diamant. Als diamanten – van buiten vaak koud en ongenaakbaar, maar tegelijkertijd wonderschoon en waardevol – glanzen en stralen de vrouwen, ongeacht hun kwetsbaarheid en hun eenzaamheid.
In Diamanten spiegelen zich vrouwbeelden en rollenpatronen uit het verleden en uit het heden: godinnen, moeders, strijdsters, geliefden, hoeren, heksen en heiligen. Ze spreken en zingen tot ons, zonder dat wij hun taal helemaal kunnen verstaan. Tekstflarden en klanken bereiken onze oren, zonder dat we de betekenis ervan begrijpen. Puur, met de kracht van hun stemmen, verhalen ze van de schoonheid, de kwetsbaarheid, de mythe en de kracht van de vrouw. In tableaus van een eenvoudige schoonheid en tijdloosheid verbannen de vrouwen de banaliteit van alledag en scheppen een eigen, nieuwe, mystieke wereld, waarin hartstocht en intimiteit de richting aangeven. Magie, verwondering, vervoering: de vrouwen dwingen ons, als sirenen, te luisteren en ons aan de stralend schone melodieën over te geven.
De Diamant (Grieks = de onbedwingbare)
De diamant wekt naast positieve gevoelens als schoonheid, wijsheid en reinheid ook negatieve gevoelens op. Diamanten als teken van rijkdom en uiterlijk vertoon – Diamonds are a girl’s best friend – staan ook voor uitbuiting en vasthouden aan oppervlakkigheden.
In Diamanten worden deze tegenstellingen uitgelicht. Diamanten wijdt zich aan de oerkracht van deze steen: het is een hoge kunst de diamant te “temmen”, te slijpen, maar het is haast onmogelijk hem te vernietigen. Hij is tijdloos, mooi en sterk.
Deze gedachte is het uitgangspunt van het concept van deze productie en was leidraad bij de keuze van de composities. In Diamanten klinkt een veelvoud aan tijdloze en “sterke” composities, van solowerken tot vierstemmige ensemblestukken, die gekenmerkt worden door hun compositorische concentratie en intensiteit.
De uit twintig miniscènes bestaande cyclus Attila József – Töredédek (vertaald: Attila Jószef - Fragmenten) van György Kurtág – eigenlijk gecomprimeerde opera-eenakters – loopt als een rode draad door de voorstelling. De enorme vocale concentratie en bijzondere eenzaamheid van deze cyclus staat in sterk contrast tot het stralende, verblindende Calligramme (Il Pleut) van Rob Zuidam, een compositie die een “geaard”, bijna dansend gevoel in zich heeft. En toch zijn beide tot één grondprincipe terug te voeren: innerlijke kracht en schoonheid.
Na de extase in Calligramme brengt Kurtág ons weer terug naar de wereld van het oorspronkelijke; hier draagt iedere noot en iedere syllabe betekenis.
Opgedeeld in drie blokken markeren Kurtágs miniatuursolostukken momenten van rust en innerlijkheid. We worden als toehoorders en toeschouwers teruggeworpen tot het begin van de schepping. Uit het grote witte licht, uit het niets, is alle leven ontstaan.
De zangeres van Attila Jószef - Töredédek maakt ons deelgenoot van haar kwetsbaarheid. Ze slaagt er niet in zich te bevrijden. De andere vrouwen moeten haar alsmaar meer helpen zich uit haar verstarring te verlossen. Door de kracht van een troostende melodie vindt ze haar weg weer terug.
Net zo gecomprimeerd als Kurtágs werk zijn de Tourbillons van Georges Aperghis. De interpretatieve eisen die zijn composities aan de menselijke stem en de menselijke geest stellen zijn zo groot, dat zijn stukken slechts met uiterste fysieke inspanning kunnen worden gezongen.
‘Tourbillons’ betekent: wervelwinden. Viermaal duiken gedurende het concert deze wervelwinden op, telkens in de gedaante van een andere zangeres, en stuwen de handeling voort. De zangeressen verschijnen in foetushouding, als dansende moeder en als de wijze moeder aarde. Deze stukken duren slechts één tot twee minuten, maar zijn zo intens dat ze de vrouwen volledig uitgeput achterlaten. Aperghis schrijft geen ademtekens voor, maar verwacht van de uitvoerenden dat ze inademend zingen of zingend inademen. Ook hier bevinden wij ons aan de oorsprong van al het zingen: zingen is ademen, en de kleinste adembeweging kan het grootste effect sorteren.
Van een enorme kracht en oorspronkelijkheid zijn ook de beide vierstemmige werken in Diamanten: het haast hemels klinkende Sauh III van Scelsi en het zeer aardse Rojagdad van Odeh-Tamimi. Zij vormen de pijlers van het programma, het begin en het einde. Beide werken vormen ook in overdrachtelijke zin het alfa en omega van de uitvoering: de vertelling begint met heldere, onaards klinkende engelenzang en eindigt met het strijdlustige en wereldse Rojagdad (een samenvoeging van de woorden Bagdad en Troje), een tijdloze aanklacht tegen de onmenselijkheid. Hiermee is de cirkel, die hemel en aarde verbindt, rond.
Tussen deze herkenbare hoekpunten wisselen de scènes elkaar af; rennen, kruipen of sluipen de vrouwen heen en weer op zoek naar verlossing; klinken uiteenlopende talen en verschijnen wereldlijke en mythische vrouwfiguren voor onze ogen: al deze momentopnamen worden met elkaar verweven en tot een geheel gemodelleerd, gestuurd door dat ene gebaar, dat van de schoonheid van het bestaan.
De toren van Babel
In een tijd waarin we overal op de wereld met elkaar kunnen communiceren, valt het op hoeveel componisten van hedendaagse vocale muziek zich niet meer op conventionele wijze van tekst bedienen. Ze experimenteren met lettergrepen en klanken van de meest uiteenlopende talen, met klinkers of medeklinkers, met fonetische tegenstellingen: de tekst wordt versplinterd en verscheurd; een zinnebeeld, als het ware, van onze moderne samenleving. Gelijktijdig ontstaat uit deze versplintering de mogelijkheid om een nieuwe taal te ontwikkelen die zo nauw met de muziek verweven is, dat tekst en muziek één worden.
Componisten als Scelsi, Aperghis, Zuidam en Odeh-Tamimi hebben in hun werken een eigen taal ontwikkeld die wij kunnen begrijpen, zonder dat we de woorden echt verstaan. De relatie met bepaalde emoties is zo duidelijk voelbaar, dat we geen echte woorden meer nodig hebben.
De composities in Diamanten wisselen permanent tussen tekstgeoriënteerde, “traditionele” composities zoals Zuidams Calligramme, Pousseurs Pour Baudelaire, Kurtágs Attila József- Töredédek en Dusapins Two walking, die gebaseerd zijn op gedichten van Guillaume Apollinaire, Charles Baudelaire, Attila József en Gertrude Stein, en deze als tekstgeraamte gebruiken – en composities zonder tekst. Hierdoor ontstaat een Babel-achtig spraaklabyrint waarin we kunnen verdwalen, maar waarin ook vrijheid voor eigen interpretatie blijft.
De composities weerspiegelen, naast een veelvoud aan muzikaal en tekstueel idioom, ook het multiculturele aspect van de componistenfamilie: Hongaarse, Nederlandse, Belgische, Franse, Griekse, Italiaanse en Duits-Israëlisch-Palestijnse componisten worden een eenheid in een uniek programma.
Diamanten toont een dwarsdoorsnede van hedendaagse vocale muziek, vol extremen. Maar anders dan in het Bijbelse Babel worden in Diamanten de verschillende talen met elkaar geconfronteerd en verbonden. Niet de spraakverwarring, maar de eenheid van de muzikale kracht vormt het fundament van een krachtige en stralende toren.
Bärbel Kühn
Telegraaf 08-01-2010 ( OVER GRADUALES - Opening Koorbiënnale )
test
Brabants Dagblad 01-11-2009 ( OVER HALFGELEIDERS - Bruno Nelissen )
Ook Halfgeleiders zelf moet het hebben van momenten
Theo van de Zande – Brabants Dagblad, 14 november 2009
Jong talent dat zich stort op opera, animatie toevoegt, geluidstechniek inzet en eigentijdse teksten schrijft met ruimte voor af en toe een bevrijdend lachje. Muziekprojecten als de productie Halfgeleiders, dat afgelopen donderdag in de Verkadefabriek de première beleefde, zijn alleen daarom al welkome nieuwe impulsen. Het Bossche Festival November Music zet daar vol op in. In dit geval werden de krachten nog gebundeld met andere culturele broedvijvers als VocaalLAB en Productiehuis Brabant. Gezamenlijk brachten ze drie jonge makers bijeen: componist en muzikant Bruno Nelissen, tekstschrijver en muzikant Johannes Westendorp en regisseur en acteur Peerke Malschaert. Het drietal vindt elkaar in Halfgeleiders in de fascinatie voor schijnbaar onbelangrijke, kleine momenten. We komen er dagelijks in om maar hoe vaak staan we er bij stil. In Halfgeleiders wordt de tijd vertraagd en zoemen we in op een bushokje mensen. Een verzameling hoofden boordenvol gedachten. Andermans gedachten waarin we, zonder het te weten of te merken, soms de hoofdrol blijken te spelen. Flarden van zinnen schieten vanuit een mond naar het scherm, gaan op in een stroom van animatiebeelden om daarna uit speakers achter in de zaal nog eens langzaam herkauwd te worden. Onsamenhangende gezongen monologen die vaak dwars langs elkaar heen scheren om pas op het eind elkaar voorzichtig te raken of juist heftig botsen. Westendorp legt de twee zangeressen en drie zangers soms intrigerende zinnen in de mond. Die nog een extra lading krijgen als ze in verschillende typografieën later op het scherm voorbijkomen tussen afgevuurde raketten en voobijrazende spermatozoïden. Zinnen ook die als klankmateriaal verwerkt worden tot gelispel, hysterisch gekrijs of juist monotoon gedreun. Componist Nelissen laat een vaak broos maar subtiel samenspel horen tussen zangers en stemmen die vanuit speakers opduiken vanuit de zij en achterkant van de zaal. Afzonderlijk, veelal goed uitgevoerde bouwstenen waarmee het niet gelukt is om van Halfgeleiders een muziektheaterproductie te stapelen die beklijft. Misschien is het toch niet voor niets dat we doorgaans niet al te lang stil staan bij onbelangrijke kleine momenten. De makers slagen er onvoldoende in om een handvol van die ogenblikken lading te geven en langzaam met elkaar te verknopen tot een verrassend nieuw perspectief. Verrassend is in ieder geval wel het slot waarmee het drietal een vette knipoog lijkt te geven naar het publiek. Sommige momenten mogen dan nog zo belangwekkend lijken, uiteindelijk gaan ze allemaal weer op in het rondreizend circus van alledag.
Trouw 14-11-2009 ( OVER HALFGELEIDERS - Bruno Nelissen )
Muzikaal gesproken drijft de voorstelling vooral op de grote vocale capaciteiten van de solisten van VocaalLAB, die elkaar mooi tot ensembles aanvullen.
Halfgeleiders door tekstuele humor overeind
Kees Arntzen - Trouw, 14 november 2009
Hedendaags en flitsend is het einde van de vocale mini-opera 'Halfgeleiders' zeker: meegesleurd in een bizar soort 'flitsmeute' verdwijnen de vijf protagonisten na veertig seconden voorstelling pardoes van het toneel - weggevaagd, finaal en 'sans merci'. Alleen, die veertig seconden waarin de postbode, de schrijver, de blinde vrouw, de makelaar en de oplichtster in een kluwen van verschillende strengen het publiek een stukje van hun leven lieten zien, waren op het toneel tot mega-seconden opgerekt, zoals een in het decor geprojecteerd, tergend langzaam lopend uurwerk afdoende duidelijk maakte.
De voorstelling duurt daarmee een klein uur, en de techniek die eraan ten grondslag ligt, is die van de ‘stream of consciousness' die de Ierse schrijver James Joyce aan het begin van de vorige eeuw ontwikkelde. We lezen en horen de gedachten van de personages, die niet altijd rechtlijnig de paden van de logica volgen. Bovendien verspringen hier die gedachtenspinsels, nu eens gezongen dan weer gesproken, ook gedurig van persoon tot persoon. Voor de beschouwer aanvankelijk een chaotische, vocale kluwen waar gaandeweg meer duidelijkheid in komt.
Muzikaal gesproken drijft de voorstelling vooral op de grote vocale capaciteiten van de solisten van het VocaalLAB, die elkaar mooi tot ensembles aanvullen, hier en daar gesteund door stemmen van achter uit de zaal. Echter, niet overal is het compositorisch materiaal even interessant. Melodielijnen zijn vaak grijs en alledaags als de kostuums en het decor, dat een stukje straat met bushokje verbeeldt. Ook klinkt er net iets te vaak 'pompompom' als er vocaal begeleid moet worden, maar af en toe doet zich een verfrissende vocale opleving voor. Dan hoor je dat er ook echt een componist aan het werk is geweest: sommige plekken zitten juist verduiveld leuk in elkaar.
Het is echter vooral de tekstuele humor, die de voorstelling overeind helpt en die de aandacht bij de les houdt. Ook het nietverbale acteurswerk van Wim Bouwens, die als postbode met dwangfixaties het toneel doorkruist, wekt de glimlach op. Bariton Tiemo Wang heeft de ruigere lachers op zijn hand met zijn interpretatie van een snoevende, snuivende en op veroveringen beluste jonge makelaar. Een blinde jonge vrouw (overtuigend vormgegeven door Maria de los Angeles Marques Fernandez) geldt zijn niet aflatende aandacht. De regie van Peerke Malschaert is doordacht en om door een ringetje te halen. Heerlijk hoe de verdwaasde personages van een wouldbe auteur (Gunnar BrandtSigurdsson) en een hooggehakte, langbenige oplichtster (Jennifer van der Hart) telkens dwars door die aanzet tot een prille flirt weten te lopen.
Concertzender 16-11-2009 ( OVER EBEN GABRAAN - Rasheed Al-Bougaily )
Hoofdrol bij kameropera Eben Gabraan was weggelegd voor de zes weergaloze solisten van VocaalLAB Nederland.
Zondag 15 november 2009 - Première Eben Gabraan
Locatie: NovemberMusic Den Bosch, Verkadefabriek
[...] Gelukkig had November Music de tijden wat aangepast zodat het tripje naar de Verkadefabriek in een zondags tempo kon plaatsvinden. Daar klonk de eerste uitvoering van Rasheed Al-Bougaily’s kameropera ‘Eben Gabraan’. Hoofdrol was weggelegd voor de zes weergaloze solisten van het VocaalLAB Nederland. De oriëntaalse melodieën en onstuimige dynamische scenewisselingen waren een kolfje naar de hand van het Nieuw Ensemble en leidsman Lucas Vis. Een kernachtige, zeer filmische en bij vlagen ontroerende opera die met name in de laatste twintig minuten meer ruimte bood aan de krachtige melodische taal vol Oosterse melisma’s die Al-Bougaily bij uitstek beheerst maar niet altijd voluit durft te laten horen. [...]
Door: Mark van de Voort, Concertzender
NRC Handelsblad 15-08-2009 ( OVER MACHINATIONS - Georges Aperghis )
De zangeressen van VocaalLAB leveren een fenomenale prestatie in hun virtuoze, tongbrekende partijen, die vaak razendsnel op elkaar inhaken.
Uit Wolken van rrrr- en ssss- klanken ontstaat een taal
Door Jochem Valkenburg
Dadaïst Kurt Schwitters schreef begin vorige eeuw de ‘Ursonate’: een muziekstuk voor een vocale solist dat volledig is opgebouwd met overwegend betekenisloze oerklanken. Machinations (2000), een opera van de Frans/Griekse componist Georges Aperghis, lijkt het 21ste-eeuwse antwoord op dat werk. De opera is vanavond nog te zien in de enscenering die eerder dit jaar op de Operadagen Rotterdam stond, en nu als ‘gastprogrammering’ van muziekfestival November Music op theaterfestival Boulevard in Den Bosch speelt.
Aperghis’ ‘oer’-opera is in tegenstelling tot Schwitters’ ‘oer’-sonate uiterst dramatisch en beklemmend. Hier staat niet één vocalist maar vier zangeressen, opgesteld rondom het publiek, dat gaandeweg de taal ontdekt vanuit wolken van rrr- en sss-klanken, half afgemaakte woorden en haperende zinnen. Hun geluid wordt live gemanipuleerd door een klankregisseur die, midden in het publiek, ook onderdeel van de voorstelling is. De voortdurende beweging en vervorming van het geluid is afwisselend welluidend, schizofreen en hypnotiserend, en bovenal steeds intrigerend.
‘Onderwerp’ van de voorstelling lijkt de klassieke confrontatie tussen mens en machine. Dat wordt onderstreept in de videoprojecties die buizen, moeren en kranen vertonen en in de tekst, die gaandeweg concreter en verstaanbaarder wordt. Als de tekst over automatische poppen lijkt te gaan, bewegen vier danseressen zich als marionetten door het publiek. De confrontatie vindt even een dramatisch hoogtepunt als de zangeressen en de danseressen zich dreigend rond de eenzame maar oppermachtige laptop-‘nerd’ in het midden opstellen. Dat moment waait over, en de voorstelling heeft verder ook geen hapklare ontknoping.
De zangeressen van VocaalLAB leveren een fenomenale prestatie in hun virtuoze, tongbrekende partijen, die vaak razendsnel op elkaar inhaken. De danseressen blijken een meesterlijke toevoeging van de regie: ze zuigen het publiek de voorstelling in.
Klankmanipulator Wouter Snoei, die onlangs een uitstekende cd met elektronische muziek afleverde, is achter de laptop het levende bewijs dat de tweemaal geprojecteerde vraag ‘kunnen machines denken?’ vooralsnog ontkennend moet worden beantwoord.